Geschiedenis Fuerteventura
Ongeveer drieduizend jaar geleden zijn de Canarische eilanden ontdekt. Tussen 1403 en 1405 is Fuerteventura veroverd door Jean de Bethencourt, die Betancuria als hoofdstad benoemde. Dit is het gebleven tot het jaar 1834. In het jaar 1414 vielen de Canarische eilanden in handen van de graaf van Niebla. Daarna, vanaf 1440 werden de Canarische Eilanden op hardhandige wijze door de Peraza’s bestuurd, hierdoor waren er vele opstanden.
In de 16e en 17e eeuw bloeide op Fuerteventura de slavenhandel, maar Berbers en Algerijnse piraten plunderden regelmatig de kuststeden van het eiland. Honderden bewoners van het eiland werden ontvoerd. Vanaf eind 17e eeuw volgden droogteperiodes elkaar snel op in Fuerteventura, zodat terugkerende hongersnood veel bewoners dwong om te emigreren. De bevolking nam ook weer toe door een vulkaanuitbarsting op Lanzarote. Hierdoor vluchten veel mensen van het Lanzarote naar Fuerteventura.
Fuerteventura was dus vaak het doelwit voor piraten of Engelsen. De plaats Tuineje is aangevallen door de Engelsen in het jaar 1740. Een groepje dappere boeren heeft ze echter verslagen en deze slag gewonnen bij Tamasite. Puerto del Rosario is tegenwoordig de hoofdstad van Fuerteventura en is in 1797 ontstaan. Daarvoor was het enkel een haven van de plaats Tetir. De voormalige naam van de hoofdstad was Puerto de Cabras, geitenhaven, er waren namelijk erg veel geiten op deze plek. Puerto de Cabras werd in 1835 een zelfstandig dorp en groeide uit tot een belangrijke stad. Puerto de Cabras werd al snel de belangrijkste havenstad van Fuerteventura en in de 19e eeuw werd de stad uitgeroepen tot hoofdstad. De naam ‘Geitenhaven’ vonden de inwoners echter maar niets en in 1956 werd deze naam veranderd in Puerto del Rosario, ‘Haven van de Rozenkrans’
Ontwikkeling van Fuerteventura
Het toerisme op Fuerteventura kwam in vergelijking met de andere eilanden laat op gang, pas in de jaren 70. Vooral de Duitsers bezoeken Fuerteventura, maar ook veel Nederlanders weten het eiland te vinden, ongeveer 6000 per jaar. Het toerisme wordt vanaf de jaren 70 de belangrijkste inkomstenbron en verving in snel tempo de landbouw als belangrijkste bron van bestaan. In 1966 opende het eerste vakantiehotel zijn deuren. Het was de Casa Atlántica in Jandía, gebouwd door Gustav Schütte, de toeristische pionier van het eiland.
Na de dood van generaal Franco in 1975 kwam er meer politieke openheid en ook het toerisme beleefde een flinke opleving. In 1975 trok Spanje zich terug uit de laatste Afrikaanse kolonie, de Spaanse Sahara. Het daar gestationeerde vierduizend man sterke Vreemdelingenlegioen werd vervolgens naar Fuerteventura overgeplaatst. Ze gedroegen zich al snel als de heersers over het eiland, tot grote ergernis van vooral de jonge inwoners van Fuerteventura. In 1980 kwam het in de hoofdstad Puerto del Rosario tot ware straatgevechten, waarna het legioen weer van het eiland afgehaald werd.
In 1982 kregen de Canarische Eilanden met nog een aantal andere Spaanse provincies een autonome status en in 1986 behield de eilandengroep, ondanks de toetreding tot de Europese Unie, haar aparte status als vrijhandelszone.


